maandag 23 januari 2012

Profaan



Koud terug uit Canada troonde ik mijn S. mee naar de laatste dag van de Alina Szapocznikow-expo in Brussel. Mijn enthousiasme moest ook het hare worden.
Een riskante exercitie.
Het kunstwerk dat me in november bij de strot had gegrepen, was een door de kunstenaar verscheurd polyesterafgietsel van het lichaam van haar zoon.
S. vond het ‘niet zo bijzonder’, mij liet het ditmaal zelfs behoorlijk koud. Verwonderd was ik wél: hoe had ik destijds de zonneklare analogie met de laatste pagina’s van De Alfakunst zo over het hoofd kunnen zien?

En wat u betreft, jongeman, het spijt me zeer, maar u weet veel te veel. Wel, we gaan nu vloeibaar polyester over u uitgieten. Dan wordt u een expansie. Wees blij: uw lijk zal in een museum komen te staan. En geen mens zal ooit op het idee komen dat dit werk, dat we ‘reporter’ kunnen noemen, de laatste verblijfplaats van onze Kuifje is. Denk daar eens over na, vriend…

Dixit Endaddine Akass.
‘Misschien is dat wel een idee,’ zei S. ‘Je verzameling bevriezen in polyester.’
Ik huiverde bij dit profane voorstel, maar als laatste wilsbeschikking vond ik het een enerverend vooruitzicht.
Misschien moest ik mijn testament maar eens herzien.