donderdag 15 juni 2017

‘Op het einde poetste hij alles weg’



Hergé in januari 1976, tijdens een feestje voor de 50-jarige Bob de Moor.

Ik kan onmogelijk naar de tweedeling van die nogal boerse kop kijken zonder herinnerd te worden aan de klassieke uitblinkers van het Franse filmdoek.

Ter verduidelijking ruilen we de conflicterende gezichtshelften even om:


Links de berusting, met het dromerige oog van Patrick Dewaere boven het zuinige mondje van Bertrand Blier. Rechts de vermoeidheid en de vertwijfeling van de doodzieke komiek Bourvil, in zijn laatste, serieuze rol.

Pierre Assouline wijdt in de inleiding van zijn biografie een mooie paragraaf aan de Tekenaar in de herfst van zijn bestaan, over de constructie en de reconstructie van zijn leven: ‘Op het einde poetste hij alles weg’.

Maar de kiekjes blijven ongepolijst:


Zij was er trouwens ook, in dat scharrige café in de Landhuisjesstraat in Ukkel:


Voormalig studiomedewerkster Fanny, 42 jaar jong – hier met de schalkse ogen van Audrey Tautou.

En met de mooie dochter van Albert en Georgette Vlamynck sluiten we de tiende jaargang af. De Tintinperdu-taveerne gooit haar deuren in het slot. De losse eindjes gaan even in de vriezer, ik ben tot begin september afwezig.

Voor een drankje en een praatje blijft het feestlokaal van de Rodwelletjes als vanouds geopend: telefonisch een tafel reserveren via toestel 421. Bovenal wens ik de lezer een fijne zomervakantie!

maandag 12 juni 2017

Een kordate tekenaar in de Londense mist


Ondertussen, in het Britse koninkrijk van de unflappable conservatieve premier Harold Macmillan:



In de nevel achter Westminster Bridge mogen we een manifestatie van Het Gele Teken vermoeden. Maar mij gaat het om de Tekenaar op de voorgrond, en meer in het bijzonder om zijn kordate jas, een klassieke herringbone tweed.

Die staat ’m goed, juist ook met dat zwarte (leren?) handschoentje. En kijk eens naar de zelfverzekerde houding en dito blik! Hier staat beslist geen man die wordt gekweld door de misère uit de koker van Blaise Pascal.

Het is 1 december 1958 en Hergé is, samen met Germaine, een paar dagen in Londen op uitnodiging van zijn Britse uitgever. Hier zien we hem, tussen zijn vertalers, op het hoofdkantoor. En opnieuw: kijk hem eens stralen in die jas!


Links Leslie Lonsdale-Cooper, rechts Michael Turner. Dit is het duo dat Milou omdoopte in Snowy en Tryphon Tournesol als Cuthbert Calculus door het leven liet gaan. Overigens is van Cooper en Turner, die bijna een halve eeuw samenwerkten, in 2004 nog een hartroerend portret gemaakt:


Hergé heeft zich inmiddels óók laten fotograferen op de RRS Discovery*, het Arctische expeditieschip van Robert Falcon Scott en Ernest Shackleton, dat even voorbij Waterloo Bridge ligt aangemeerd in de Theems:


Er is op dat schip nóg een foto gemaakt. En dat is eentje die ik eigenlijk niet had willen zien:


Een afdruk die wordt aangeboden op eBay. Let op de ruwe wijze waarop in een wereld zonder Photoshop een portret vrijstaand werd gemaakt. Maar let vooral op die verduvelde jas.

Probeert de Tekenaar zijn schrielheid te verhullen met een beetje te veel volume in zijn confectie? De herringbone tweed waarvan ik meende dat hij als gegoten zat, blijkt alleszins onflatteus en plaats te bieden aan meer dan één persoon. Hergé had er, onttrokken aan het oog van zijn knorrige echtgenote, zomaar zijn Fanny in mee kunnen smokkelen.


*) En dus niet het zeilschip Discovery II, zoals Philippe Goddin ten onrechte in zijn biografie vermeldt.

donderdag 8 juni 2017

Daar heffen we het glas op !


Mille tonnerres de Brest! Dit is de duizendste blogpost die ik (voor de lezers in de desktopmodus) aan het obligate behangetje prik:


Mijn S. vindt deze achtergrond inmiddels stoffig als een vloermat, maar ik ben er, na tien jaargangen, te veel aan gehecht om er afstand van te doen.

In afwachting van de Fanfare van Molensloot voor een aubade, kijken we nog even naar de film waarnaar onze vrienden keken*, bij aanvang van COKE:


The Outlaw? The Outcast? Lezer Ivo Mans herinnerde me eraan dat Hergé de titel wel degelijk noemt – zij het de Franstalige – in de oorspronkelijke openingsstrook (uit de Weekblad-versie van COKE die het album niet haalde):


Let vooral eens op dat laatste plaatje: Lampion kakelt als een kip zonder kop en Nestor verdiept zich in de postuum uitgegeven, eeuwenoude ‘Gedachten’ (‘Pensées’) van Blaise Pascal.

Idiotie versus belezenheid – maar dan moeten we wél bereid zijn te geloven dat de trouwe butler zich aangetrokken voelt tot zulke zware, ongepolijste kost. Het boek dat Nestor in handen heeft, lijkt me in elk geval nogal dun, wellicht betreft het een grootletteruitgave waarin slechts de beruchte Gok van Pascal wordt beschreven.

Enfin, de grote Franse denker – onophoudelijk geplaagd door kwalen en kwaaltjes en op jonge leeftijd gecrepeerd – was iemand zonder enig talent voor welbehagen. Het is beslist goed te begrijpen waarom de twijfelkont Hergé zich zo voelde aangetrokken tot zijn gedachtegoed: veel in de ‘Pensées’ draait om de nietigheid van de mens die, tot op het bot gespleten en ambigue, altijd maar keuzes moet maken.

Is het jammer dat dat strookje met de zich ontwikkelende Nestor het album niet heeft gehaald? Ik vind van wel. Ivo Mans wees me er nadien nog op dat er, volgend op de presentatie van de ‘Pensées’, opvallend veel wordt gedacht op de openingspagina van COKE.

Achtereenvolgens:




Van Pascals ‘Pensées’ naar ‘penser’, ‘pensais’ en ‘pensé’.

Zou het...?

Daar is de fanfare! Laten we op deze bijzondere dag de ogen sluiten voor zijn zwakheden en onvoorwaardelijk het glas heffen op de geniale Georges Remi, alias Nieuwsgierige Vos, allerwegen bekend als Hergé.

Tchin-tchin!




*) De aangekondigde ‘Nieuwe onthullingen uit Algiers’ komen volgende week aan bod.

dinsdag 6 juni 2017

1956 - toen het ging fonkelen met Fanny


I.
Petekind op bezoek dat naar De Smurfen wilde. ‘Leuk! Gaan jullie naar de gewone of naar de 3D-versie?’ vroeg ik aan S. Maar als ik dacht dat ze daar intrapte, dan wist ik niet hoe de hazen liepen.

Enfin, de film viel best mee. Het tempo lag hoog, de kleine kneep af en toe in mijn hand, zó spannend vond ze het en ik nam me voor in het vervolg iets minder te pruttelen. Hebben we onze jonge reporter ooit zien klagen als de Tekenaar hem weer eens, ongevraagd, naar de bioscoop stuurde? Nou dan.

II.


Kuifje en Haddock verlaten, bij aanvang van het Cokes-avontuur, de Avenue-bioscoop aan de Gulden-Vlieslaan in Brussel. Overigens niet zomaar een filmtheater, maar - met twee zalen onder één dak (Studio en Club) - op dat moment (1956) niets minder dan ’s werelds eerste bioscoopcomplex.

Wat hebben onze helden gezien?


Hergé geeft slechts de helft van de titel prijs: THE OUT… Met ruimte voor hoogstens een zesletterwoord gok ik op THE OUTLAW – of toch misschien THE OUTLET (de bekende western over een Mexicaanse bandiet die vilten hoeden onder de normale prijs verkoopt).

Haddock vindt het allemaal maar zozo en dat de bezoekers ook niet heel enthousiast zijn, zagen we al op plaatje 1: bij de EINDE-vermelding zijn mensen meteen opgesprongen, van even nagenieten tijdens de aftiteling is geen sprake.

Ik weet het, de Tekenaar heeft deze film verzonnen om de onverwachte ontmoeting met generaal Alcazar in te leiden. Maar toch… Zo vaak zien we onze vrienden niet naar de bioscoop gaan - je zou ze dus iets beters gunnen.

III.
De Brusselse filmagenda’s uit 1956 bieden ook beslist prikkelender materiaal.

Voor deze titel is het nog net iets te vroeg:


De wereldwijde doorbraak van Brigitte Bardot gaat pas eind van het jaar in Frankrijk in roulatie.

Maar deze verrukkelijk sfeervolle gangsterklassieker van Jean-Pierre Melville draait al wel in de Brusselse zalen:


...net als deze klucht met Vittorio de Sica en Marcello Mastroianni:


Let op de Nederlandse titel - duivels toegesneden op het leven van Hergé. Dat begint in 1956 - als het zoetjesaan gaat fonkelen met Fanny - stellig op de technicolormelodrama’s van Douglas Sirk te lijken:


All that heaven allows... In ’56 krijgen de Belgische bioscoopgangers er geen genoeg van.

In de week dat in het Weekblad het COKE-avontuur aanvangt (31 oktober) beleeft deze film zijn Brusselse première:


Kijk, daar heeft Hergé een titel waar hij ook echt iets mee kan! Kruising der lotsbestemmingen... Precies waar hij naar toewerkte:




Donderdag: Nieuwe onthullingen uit Algiers.

donderdag 1 juni 2017

Beeldrijmen en ongerijmdheden


Wie hebben we hier?


Links Tintin, rechts… Tintin.

Voor een andere Hergé moeten we dus naar Afrika, en dan nog is het goed zoeken. Andere Tintins liggen daarentegen voor het oprapen - en wel zó royaal dat het claimen van een eigendomsrecht (we noemen geen namen...) beslist ongerijmd is.

Enfin, de Tintin-Lutin uit het prentenboek van Benjamin Rabier (1898) kennen we nou wel:


Veel minder bekend is het gelijknamige personage uit het beeldrijm hierboven:


Uit: Le Petit Parisien van 30 juli 1936. Let op de signatuur: BOZZ. Het is een pseudoniem van niemand minder dan Rob Velter, de geestelijk vader van Robbedoes. Voor het Opera Mundi-agentschap maakte hij in ’36 een reeks van deze Tintin-strips die in Le Petit Parisien geplaatst werden onder, o ironie!, de nieuwe avonturen van Zig et Puce

Haalde die Velter overigens - net als Hergé - de mosterd bij Rabier?


Deze Robbedoes stamt al uit 1905…

Kijken we ook nog even naar een collega van Rabier:


Georges Jordic-Pignon tekent een varkentje genaamd Tintin… maar bovenal moeten we hier glimlachen om het, in deze context alleszins ironische uiterlijk van het bijpersonage:


Bécassine!

maandag 29 mei 2017

De ontrafeling van het mysterie-Hergé (2)


V.
30 maart 1950, de maan volgens Georges Remi:


18 juni 1921, de maan volgens René Gilles:


Fragment uit Le bombardement de la lune, een smakelijk beeldverhaal dat hier in zijn geheel is te verschalken.

VI.
De brandende kwestie: heette de Algerijnse Hergé – de Hergé die we niet moeten verwarren met ‘onze’ Hergé – René Gilles?

Zoeken op die naam in de digitale jaargangen van Alger-Étudiant levert niets op. Uiteindelijk speur ik - zonder veel vertrouwen – verder met de zoekterm ‘René’. Ruim honderd treffers, waaronder deze, van 15 januari 1930:


De grote kraakvis moge mij kraken!

De broertjes René en Marcel Gilles, respectievelijk Hergé en Knock... voor één keer geeft de Alger-Étudiant de identiteit van zijn geliefde kameraad Hergé prijs. En uitgerekend die ene keer ontglipte aan mijn aandacht (waarna het allemaal nodeloos ingewikkeld werd).

Nadien vind ik in de L’Echo d’Alger van maandag 6 mei 1929 de bevestiging:


Nul doute! De Algerijnse Hergé heet René Gilles.

VII.
Wat weten we inmiddels van de artiest die óók (en eerder!) koos voor een eufonische vertaling van zijn initialen?

Wetenschapsstudent aan de universiteit van Algiers:


… en, naast zijn bijdragen aan de Alger-Étudiant, illustrator voor onder andere de Notre Rive en de Annales Africaines.


Karikatuur van de directeur van de Algerijnse Kamer van Koophandel, in Annales Africaines, 15 april 1929.

In zijn huwelijksjaar, 1924, is Hergé een van de oprichters (uit ‘De Groep van 10’) van de Salon du Rire:


…een spraakmakende, jaarlijkse cartoonexpo in Algiers (de geschiedenis ervan wordt hier beschreven) die werk presenteert van ‘les meilleurs crayons’: Bronner, Frac, Hergé, Drack-Oub, Léo, Klein, Ski, Fabiani, Herzig… Namen die lezen als het colofon van Rhââ Lovely

Werk van Hergé dat we in de loop der jaren op de Salon aantreffen:



Uit: L’Afrique du Nord illustrée (oorspronkelijk in kleur).

Opvallend is hoe lyrisch er telkens in de lokale pers (waarin de artiest overigens vaker dan eens abusievelijk René Gille heet) over zijn inzendingen wordt gesproken, tot en met het opgetogen ‘hors catégorie’.

VIII.
Hoe ging het verder met deze Hergé?

We lopen hem, samen met zijn broer Marcel, nog één keer tegen het lijf in het verslag van de eerste ‘Salon des Médicins vétérinaires et dentistes d’Algerie’. Deze Salon is opgeleukt met een hoekje waar de karikaturen hangen van Marcel en René Gilles. 20 april 1942, de dag dat onze Hergé zijn held een uitbundig (en voorbarig) dansje laat doen:


En dan?

IX.
Boekomslag uit 1926:


Illustratie van René Gilles. Is dat ‘onze’ René ofwel ‘die andere Hergé’? En wie is eigenlijk de René Gilles van dat elegante maanstripje, waarmee ik vandaag aanving?

Het is de verdomde alledaagsheid van deze naam die bij elke zoektocht meer vragen oproept. De archieven geven ons gelijknamige schilders, illustratoren, schrijvers en dichters.

Bij de ontdekking van een reeks ondeugende ansichtkaarten van (weer een andere?) René Gilles:


...begon ik hevig te verlangen naar een Hergé die in het echte leven René Goukelmous heette, of, liever nog, Rodolphe Goinhetchegaray…

zaterdag 27 mei 2017

De ontrafeling van het mysterie-Hergé (1)


I.
Wie is hij toch, die geheimzinnige, Algerijnse Hergé? Terwijl het kwik naar tropische temperaturen steeg, knoopte ik een zakdoek om mijn hoofd en schoffelde door veertien digitale jaargangen van een Noord-Afrikaans studentenblaadje – op zoek naar een aanknopingspunt.

Maar niets.

Het dwarse Alger-Étudiant dweept in elk nummer (en ver voorbij de grens van het betamelijke) met het magnifieke talent van ‘notre cher camarade Hergé’. Maar even consequent blijft de echte naam van de tekenaar ongenoemd.

II.
Hoe zit het ook alweer met de signatuur van ‘onze’ (de Belgische) Hergé? In 1923 tekent hij een enkele keer onder eigen naam:


Een gewichtige krabbel, welbewust in de stijl van Benjamin Rabier:


We weten dat de Tekenaar er niet heel tevreden mee was (‘Te gekunsteld’) en tevens signeert met het sobere GR. Op zoek naar een ‘transcription euphonique’ (dixit Philippe Goddin) van zijn initialen, verwerpt hij het kreupele ‘Géhère’ en kiest uiteindelijk voor het vliedende Hergé.

Bewandelde de Algerijnse Hergé deels dezelfde denkpiste?

III.
Ik besluit mijn zoekactie maar eens over een andere boeg te gooien. Is deze onbekende Hergé niet te ontmaskeren door simpelweg in het colofon van de Alger-Étudiant te speuren naar een medewerker met de initialen R en G?

Een nieuw obstakel dient zich meteen aan: het Algerijnse studentenblad ontbeert zo’n lijst van medewerkers. Er is slechts een redactieadres, de directeur wordt genoemd en de redactiesecretaris…

Maar vanaf december 1926 heeft die redactiesecretaris een opvallende naam:


René Giraud. RG. Is Giraud Hergé? Nooit gedacht dat ik deze krankjorume vraag nog eens zou stellen!

Giraud schrijft over sport. Hij dicht. Maar niets wijst erop dat hij ook tekent.

IV.
Met de zoekterm ‘collaborateur’ speur ik verder in de jaargangen van de Alger-Étudiant. Ruim honderd treffers, tientallen namen… en dan, juist als ik pieker over nieuwe invalshoeken:


Eind januari 1935: de oud-medewerkers René en Pierre Gilles betreuren de dood van hun vader. René Gilles. RG. Hergé?

Ik weet het, het zegt nog niets verder, maar een andere treffer is toch wel veelzeggend:


‘Camarade’… Hoe vaak heb ik dat inmiddels niet gelezen?

De nieuwe zoekterm ‘René Gilles’ levert daarna amper treffers (2) op en geen hard bewijs dat deze René Gilles ook daadwerkelijk Hergé is. Pas als ik - nogal hulpeloos - verder zoek op enkel de voornaam (‘René’), ben ik ten slotte heel even sprakeloos door mijn eigen stommiteit.

(Maandag verder)

woensdag 24 mei 2017

Het raadsel van de Algerijnse Hergé


I.
Omslagtekening van Hergé voor ‘Le Boy Scout’, maart 1926:


Omslagtekening van Hergé voor ‘Notre Rive’, september 1927:


De Boyscout-Hergé is onze Hergé, maar de Rive-Hergé is dus een andere Hergé, een tweede (of juist een eerste, zoals ik hier gisteren beweerde) – in elk geval eentje wiens klare lijnen nimmer meer zijn opgemerkt. Je zou zeggen: een geweldige ironie van de geschiedenis...

II.
Het is toch ook wel kras dat dit nu boven water komt! Ik kan me niet herinneren dat ik er ooit iets over las. In de wereld van Hergé zal deze ontdekking inslaan als een bom, nou, ja, als een flinke zevenknaller.
(Dixit Jan Aarnout Boer, voorzitter van het Hergé Genootschap)

III.
Wie bladert door nummers van het tijdschrift ‘Notre Rive’ uit de jaren twintig (dat kan hier) stuit op een tiental sfeervolle rubrieksvignetten. Gesigneerd: Hergé. Opgepast: niet onze Hergé!

Onder andere voor de rubriek Kunst en Letteren:


Voor de wetenschapspagina:


Voor de Parijse Kroniek:


En voor de Noord-Afrikaanse nieuwtjes, waarbij het op deze specifieke pagina moeilijk is om niet aan het SOVIETS-avontuur van die andere Hergé (de ‘onze’) te denken:


IV.
Maar wie is nu die geheimzinnige Algerijnse Hergé die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw illustratiewerk verricht voor verschillende lokale tijdschriften? In elk geval is het iemand die niet vies is van een mystificatie. Een van zijn bijdragen aan het studentenorgaan ‘Alger-étudiant’, een curieuze ‘poème inédit’, ondertekent hij als volgt:


Marcel Arnac? De Marcel Arnac?

Het duurde even voor het tot me doordrong dat de Algerijnse Hergé hiermee slechts aangeeft dat hij nogal pesterig in de huid is gekropen van de legendarische Franse striptekenaar en komiek. Een pastiche. Het past in de sfeer van de ‘Alger-étudiant’ dat een evenknie lijkt van het tegendraadse, Amsterdamse studentenblad Propria Cures. Ook hier is de lijst van medewerkers niet misselijk. In de jaargang van 1934 zien we zelfs hem even opduiken:


V.
Terwijl de Belgische Hergé furore maakt, verdwijnt de Algerijnse Hergé uit het zicht. Ik probeerde de vinger op zijn levenslijn te leggen, maar strandde halverwege de jaren dertig. Een enigma...

Hergé zelf, onze Hergé, reist op 23 mei 1957 vanuit Antwerpen via Casablanca, Rabat en Oran naar Algiers. Een uitstapje voor zijn vijftigste verjaardag. Zou hij, zwervend door de straten van de Algerijnse hoofdstad, de woning zijn gepasseerd van zijn vergeten naamgenoot?

Wordt vervolgd!