dinsdag 17 oktober 2017

BREAKING: De échte ‘werkexemplaren’ van île Noire



Zo-even gepubliceerd (KLIK!), een zeer inzichtelijk artikel van BDZoom-medewerker Gilles Fraysse over de drie bekende éditions alternées van ÎLE NOIRE.

Fraysse inventariseert grondig de aard van de drie albums. De eerste twee, in 1963 of 1964 geannoteerd door Hergé, Bob de Moor en Baudouin van den Branden. De derde*, het Catawiki-kavel, eind jaren veertig verknipt ‘pour travailler sur des produits dérivés’ (voor, met andere woorden, de plakplaatjes waar Marcel Wilmet op wees).

En zo ziet dat er dus uit, een album dat ongelogen vol staat met handgeschreven opmerkingen’ en dat werkelijk een werkdocument is ‘om een moderne versie van het originele album voor te bereiden’:




*) Als bekend met een groot rood kruis op het omslag. En dus spreekt Fraysse heel gewichtig over het ‘exemplaire À la croix’. Maar laten we afspreken dat we het in Nederland op ‘het malle album’ houden...

Eerst lezen, dan bieden


Persbericht van Artcurial (KLIK!) met alvast wat strooigoed uit de jaarlijkse L’univers du créateur de Tintin-veiling. Trekpleister op 18 november is dit ingekleurde origineel:


…van het omslag van de Petit Vingtième nummer 7, jaargang 1939.

Over de kasteelvloer is voortvarend een doekje gehaald, kijk die tegels eens blinken! Het veilinghuis hangt er een prijskaartje aan van minstens € 600.000. Niettemin: geen tafereel om heel erg opgewonden van te raken. Maar allicht passend bij de ingetogen PV-editie van 14 februari: de jonge lezertjes die destijds doorbladerden naar bladzijde 2 kregen prompt het paginagrote doodsbericht van paus Pius XI voor de kiezen.

Ook onder de hamer:



Originelen van de eerste twee stroken van ÉTOILE (richtprijzen vanaf € 300.000), gepubliceerd in die akelige Le Soir van Horace van Offel c.s., op 20 en 21 oktober 1941. Dat zijn overigens monumentale data:


Monumentale lichtwand ter herinnering aan de beruchte Slachting van Kragujevac. Op de premièredag van ÉTOILE werd in deze Servische stad een hele generatie schooljongens door de nazi’s uit de klas gehaald en de volgende dag, 21 oktober 1941, als vergeldingsactie geliquideerd, samen met 2500 stadsgenoten.

Wat oplicht, zijn foto’s en namen, onnoemelijk veel namen:


Er zijn boeken over geschreven, films over gemaakt - en er is dat gedicht van Karel Jonckheere (Kinderen met een krekelstem) waarmee de Vlaamse dichter tot ver buiten de landsgrenzen beroemd werd:

…tussen mijn voet en de elzen muur
werden van zeven tot één
die morgen van ’41
driehonderd kinderen gemitrailleerd.

Wat ik hoor vanavond in ’t glimmende gras
komt mij niet over de lippen:
kinderen met een krekelstem
werden krekels met een kinderstem...


Ik zeg: eerst helemaal lezen, dan pas bieden.

maandag 16 oktober 2017

Een onnozele hebberigheid


We gingen naar Parijs om kunst te slempen – iets te vroeg voor de grote Fiac-beurs, net op tijd voor het imposante David Hockney-retrospectief, dat volgende week doorreist naar New York.

Hergé had vroeg werk van Hockney in zijn collectie, uit de tijd dat de kunstenaar nog prima kon fungeren als stand-in voor Jean-Pierre Talbot:


Op zijn expo in het Centre Pompidou kom ik nog terug, eerst dit:


Losbladig bibliofiel hebbeding uit 1935, gelimiteerde uitgave van amper 400 exemplaren waarvan ik er eentje aantrof bij een omzwerving langs de Parijse galeries en antiquariaten. 22 sprookjes van de in het Frans schrijvende Antwerpenaar Horace van Offel, elk voorzien van een grafiek van wat in die tijd gerekend kon worden tot het summum van de Belgische kunstscene: Spillaert, De Kat, Ensor, Masereel…

Wat die Van Offel betreft: mislukt antiquair en armoedzaaier, middelmatig schermer en, nadat hij zich met veel inspanning de Franse taal heeft aangeleerd, verdienstelijk journalist en uiteindelijk een zeer succesvol schrijver:

‘Levendig van verbeelding, vol scherpen humor, gevoelig en meedoogend, romantisch zoo gij wilt en dan weer menschelijk zonder meer vertoont zijn reeds omvangrijk oeuvre een groote verscheidenheid.’

Aldus de Telegraaf van 15 januari 1936, bij Van Offels benoeming tot lid van de Belgische Koninklijke Academie voor Franse taal en letteren.

Enfin, zoals Van Offel eerder zijn Antwerpse antiekzaakje om zeep hielp, zo weet hij nu ook zijn fenomenale schrijfcarrière vakkundig de nek om te draaien:


De Deutsche Zeitung in den Niederlanden meldt op 19 juni 1940 dat de nieuwe hoofdredacteur van de onteigende Le Soir Horace van Offel heet. De collaborerende auteur gaat zich ‘inzetten voor vrede en orde’ en krijgt daarbij binnenkort hulp van de ordentelijke Hergé. We zullen het duo, samen met collega Raymond De Becker, later nog terugzien in deze ongemakkelijke uitgave:


Bij de bevrijding vlucht de 68-jarige Van Offel naar Duitsland, strijkt neer in bisschopsstad Fulda en hop, blaast ook maar meteen zijn laatste adem uit. Twee weken later trekt de Academie postuum haar handen van hem af, royeert hem als lid en maakt definitief een paria van de auteur.

Maar wat een fraaie uitgave, dat Contes!

De prijs was on-onderhandelbaar, dat wil zeggen: S. leek geenszins van plan deze overmatige besteding te gedogen. Ik bespeelde het hele register van de verstokte verzamelaar (‘mág ik niet laten liggen’, ‘beslist niet toevallig dat ik hier nu tegenaan loop’, ‘vult een belangrijke hiaat op’), maar ze was onvermurwbaar: ‘Je legt het alleen maar op de stapel’.

‘Daar hóórt het ook op,’ hoorde ik mezelf antwoorden. ‘Zonder dit boek is de stapel onaf. En ik kan de stapel alleen wegwerken als ie af is.’

Daar was ze toch wel even stil van. En ik eigenlijk ook. Ik dacht nog eens aan het portret van Van Offel in de Galerie des Traitres, zijn lebbig hangende mondje. En eensklaps verlegen met het potsierlijke van mijn argumentatie en het onnozele van mijn hebberigheid, merkte ik stilletjes op dat we maar weer eens verder moesten.

maandag 9 oktober 2017

Mysterie opgelost ! (Het malle album, epiloog)


Ere wie ere toekomt: het is Marcel Wilmet die, tussen de Amerikaanse bananendozen, het Mysterie van Het Verknipte Album beslissend ontrafelt – en mij dwingt mijn verlof heel even te onderbreken.

Wilmet over de knipsels uit ÎLE NOIRE waarvan online veilinghuis Catawiki zo frappant stellig de betekenis (‘werkdocument van Hergé’) beweerde te kennen:

‘Persoonlijk meenden we (…) meteen een patroon in de keuze van de geknipte tekeningetjes te ontwaren. We hadden die scènes en figuurtjes al eens eerder gezien. Waar? In ons eigen archief, met name in onze map ‘Décalcomanies – Afdrukplaatjes Tintin-Kuifje’. Drie versies vonden we ervan terug en kijk (…)’:



Een werkdocument om een moderne versie van het originele album voor te bereiden? Een historisch document dat ons laat meekijken over de schouders van Hergé en ons getuige maakt van zijn perfectionisme?

Welnee, plakplaatjes…!

Enfin, voor het hele verhaal en de afbeeldingen van die andere twee versies: bezoek de opiniepagina van Art9experts.com. Daar duikt, in de laatste alinea, nog een fraaie twist op die - mille tonnerres de Brest! - het laatste restje lucht uit Catawiki’s marketingballon doet stromen.

vrijdag 6 oktober 2017

Het malle album (4 en slot)


Beleefden ze nog een beetje lol, in de Studios, aan het reviseren van dat verduvelde ÎLE NOIRE-album? Hergé heeft, hebben we gezien, wel heel strikte parameters op tafel gelegd. Zelden zullen striptekenaars in zo’n strak keurslijf hun ding hebben gedaan.

Pagina 28, onderste strook, oorspronkelijke kleurenalbum:


Pagina 28, onderste strook, revisie:


Zo zal het zijn gegaan: Bob en Jacques die ontboden worden bij hun baas en Georges die zich tevreden toont over de nieuwste revisie. Zelfs het aantal kaarsjes rechts (16) is exact overgenomen. Chapeau!

Maar eh... Beseffen de heren wel dat er rondom de gevallen Kuifje in het linkerplaatje slechts tien sterretjes zijn getekend? Dat moeten er toch echt elf zijn. Aan de slag, messieurs!

En Jacques reageert gelaten:


En Bob trekt zijn pokerface:


Maar dat elfde sterretje, dat kómt er, kijk zelf maar, als stil protest op een andere plek, vlak naast het achterlicht van de vluchtauto…

Toch zijn, ontdekte ik, op één plaatje in het revisie-album de kaarten heel anders geschud. Voor de context gaan we eerst naar pagina 9:


Bobbie redt met een gewaagde actie het leven van zijn baasje… en komt daar niet helemaal ongeschonden uit:


Enfin, Kuifje spreekt de beteuterde Bobbie mild toe:


Maar dan… In de revisie… krijgen we plotseling dit:


Bobbie is niet langer beteuterd, maar bovenal: de milde Kuifje is een zeer boze Kuifje geworden… Waaróm in hemelsnaam? Het plaatje was, potverpollepap, niet eens uitgeknipt...!

Ik kijk opnieuw naar die valse blik en denk: Wat ben jij een lelijk mannetje…! Je hond heeft zojuist voorkomen dat je van de krijtrotsen bent geknikkerd en dan durf je ‘m zó te bejegenen? Bah!

Waarmee we, het is niet anders, de Zwarte Rotsen-week afsluiten in mineur. Ik knijp er even tussenuit, een kort verlof dat vanmiddag aanvangt met, het zal eens niet, een herdenkingsdienst. In Boijmans groet ik een oude kennis die me ooit, als beginnend kunstverzamelaar, het cum grano salis-principe bijbracht: Een korreltje zout moet je nemen én geven.
Rust zacht, Hans.


Verder op maandag 16 oktober.

woensdag 4 oktober 2017

Het malle album (3)



Links: de Schotse vertaling van ÎLE NOIRE, rechts de dope-revisie op de cover van een Schots underground-magazine – enkel om aan te geven hoe iconisch het omslag van het hertekende album is (en, vooruit, omdat het vandaag de sterfdag is van Janis Joplin).

Leggen we de oude versie en de nieuwe versie strak naast elkaar:


…dan valt nog eens op hoe, ook in een nieuw decor, de pose van onze held eigenlijk amper is veranderd. De wandelstok (links) is naar achteren gezwiept, de hand van Kuifje omklemt op het herziene omslag nu domweg de roerstok van een buitenboordmotor. Dat is… nu ja… ‘stone-fucking brilliant’ in de geleende woorden van de Schotse schrijver Irvine Welsh.

Neemt niet weg dat de Tekenaar steekjes laat vallen met het traditionele hoofddeksel van de jonge reporter. Het is een tam o’ shanter, zoals ze het zo mooi noemen, met een rode pom (een toorie). Op het oude omslag is de tammy blauw, maar op de binnenpagina’s is ie zwart.

Catawiki meent nog een ander foutje te hebben aangetroffen:


Het plaatje rechts ontbreekt in de verknipte édition alternée van ÎLE NOIRE. Volgens het veilinghuis is het, met een goede reden, door Hergé uit het album geknipt:

On top of the tower, Tintin wears his Scottish hat the wrong way in comparison to following panels. Another cut-out, another correction.

En een andere tegenwerping. Want waarom heeft de Tekenaar dan ook niet zijn schaar in deze prentjes op de voorgaande pagina gezet:


Hoedje hangt naar rechts, hoedje hangt naar links. De jonge Hergé heeft er een potje van gemaakt – Kuifje draagt in het oude album voortdurend zijn tammy verkeerd (en dus niet alleen on top of the tower). Overigens heb ik in de revisie op dat vlak geen enkele misstap kunnen ontdekken.

Ondertussen blijft die hele verkleedpartij me intrigeren:


Een kilt is geen rok waar je even in stapt, je moet wél weten hoe je dat ding om je lichaam wikkelt en vastmaakt. En wat de voor- en achterkant is.

Onze held stapt zó snel en dus blijkbaar zó routineus in deze traditionele outfit (in het revisie-album heeft hij zelfs aan die ingewikkelde garter flashes in de vouw van de sokken gedacht!) dat het allemaal te denken geeft. Met een doedelzak weet hij geen raad doch kilts draagt hij beslist vaker. Maar… waar dan? Achter de gesloten gordijnen in de Labradorstraat? Is zijn hospita daarvan op de hoogte? En wat vindt mevrouw Vink daar eigenlijk van?

All these questions without any answers… They drive you nuts!*


*) We kunnen ook nog speculeren of het klokkenspel van de held los en vrij onder de kilt hangt, maar neen, die beker laat ik aan me voorbijgaan…


Vrijdag: ‘Ik kijk nog eens naar die valse blik en denk: Wat ben jij een lelijk mannetje…!’

maandag 2 oktober 2017

Het malle album (2)


Het is hier nog steeds Zwarte Rotsen-week. Dus sla de kilt maar om (de plooien naar achteren), hijs de kousen op (en vouw ze tot onder de knietjes) en vul de veldfles met Loch Lomond (kom, niet zo zuinigjes...) – we gaan wandelen vandaag:


Een flink eind, merkt Kuifje hier op. Twintig mijl richting de Schotse kust, tot Kiltoch.

Niet toevallig is dit een van de dertigtal plaatjes die door niemand minder dan Hergé uit de édition alternée van ÎLE NOIRE zou zijn geknipt. Bij vier van die knipwerkjes, waaronder deze, bedachten ze bij online veilinghuis Catawiki een verklaring. In dit geval luidt het argument als volgt:

When walking through the moorland towards the Black Island Tintin, in kilt, holds his walking stick in a way that would make it impossible to swing it above his head like he does in a following panel. The scene is cut out and is of course corrected in the redrawn 1965 version.

Als bewijsmateriaal gebruikt men het volgende drieluikje (de nummering heb ik eraan toegevoegd, net als die onbehouwen wijsvinger):


Ik vind het erg vergezocht - en bovendien: het is papperlapap. Om het ‘bewijs’ rond te krijgen, negeert het veilinghuis doodleuk dat er in het album tussen plaatje 1 en plaatje 2 nog twee tussenliggende plaatjes liggen waarin van alles gebeurt, kijk maar:


Ook het tijdsverloop wordt veronachtzaamd of over het hoofd gezien. Plaatje 1 is het begin van de wandeling, bij plaatje 2, waarop de stok omhoog zwiept, moeten we inmiddels al uren verder zijn. Het luidt een komisch intermezzo in met de arme Bobbie:


Au!

... aan het eind waarvan Kuifje opmerkt dat hij de zeewind reeds voelt: ‘We naderen.’

Enfin, zoetjesaan begin ik me af te vragen welke zoetwatermatroos de apekool in die malle kaveltekst heeft toebereid.

Maar niet drentelen nu, we hijsen de Schotse kousjes nog eens op, nemen een ferme slok en vervolgen onze weg:


Deksels, we zijn er al, een loopje van niks! Ook Kuifje belazert de kluit, met z’n twintig mijl… Overigens moeten we Bob de Moor c.s. inmiddels een schouderklopje geven. Zijn aankomst in Kiltoch is beslist sfeervoller:


En dat geldt eigenlijk ook voor die andere aankomst – bij, eindelijk, de Zwarte Rotsen. In het oude album valt deze quintessentiële passage toch wel een tikkeltje tegen:


In de revisie is ie alleszins grootser en dreigender:


Wel wreekt zich nu de starre eis van Hergé dat er aan de opbouw van de pagina’s niks mag worden veranderd. In de studio zaten ze met een probleem: als je een plaatje vergroot (de aankomst), heeft dat consequenties voor de rest van die pagina. In de revisie ondervangt men dat door van vier naar vijf stroken te gaan. Daarbij moesten de resterende plaatjes wel, ondanks de dwingende voorwaarde van de Tekenaar (...ni le découpage n’ont changé...), worden gekortwiekt, zoals deze:


Juist daardoor zijn ze weer minder ‘groots en dreigend’ dan het origineel:


Ja, waarde lezer, zo is er altijd wat in het universum van Hergé!


Woensdag: Hoe ook de geniale Hergé er een potje van maakt.

zaterdag 30 september 2017

Het malle album (1)


Een zorgvuldige herlezing van de ÎLE NOIRE-albums deed me besluiten toch nog een paar woorden te wijden aan de verknipte édition alternée uit 1943. Sterker nog, we maken er een heus Zwarte Rotsen-weekje van! De gevoelige liefhebber stel ik meteen gerust: klaaglijk en zuur gaat het beslist niet worden. Ja, er zullen aanmerkingen zijn op de handelwijze van Catawiki, maar ik grijp de wonderlijke dwalingen van het online veilinghuis vooral aan voor een nadere beschouwing van de albumrevisie uit de jaren zestig.

Dat deze laatste versie van ÎLE NOIRE allerminst volledig ‘gemoderniseerd’ is, zullen we vandaag ontdekken. Komende week leggen we onder andere een Schots hoofddeksel onder de loep en geven we De Moor en zijn studiocollega’s alsnog krediet voor de verbeteringen die daadwerkelijk verbeteringen zijn. Vrijdag, tot slot, sluiten we af met een trouvaille die ik beschouw als de vreemdste revisie van het album.

Maar eerst… Allo !... Ici Hergé:


Portretfoto uit het Weekblad van 25 mei 1965, afgedrukt naast een paginagrote verantwoording voor de nieuwe versie van ÎLE NOIRE die een week later van start ging.

En wat schrijft Hergé daarin?

Les quelque 800 images de l’histoire ont été, l’une après l’autre, redessinées. Bien sûr, ni le scénario, ni le découpage n’ont changé. C’est la même intrigue, mais qui se déroule dans des décors nouveaux, plus détaillés, plus modernes et surtout d’un cachet plus authentiquement ‘britannnique’.

De Tekenaar rept van circa 800 plaatjes die één voor één zijn hertekend. Uit het Catawiki-album zijn slechts 31 plaatjes (of fragmenten daarvan) geknipt. Van vier daarvan probeert men, in de kaveltekst, beargumenteerd aan te tonen dat ze zijn uitgeknipt omdat Hergé er een onnauwkeurigheid in zou hebben opgemerkt. Bij deze bijvoorbeeld:


Het knipsel is een verondersteld hulpmiddel bij het reviseren van het album (we zouden immers te maken hebben met een werkdocument). Volgens Catawiki ontdekte de Tekenaar dat in dit panel een pijp ontbreekt. En dat klopt, kijk maar:


Maar hoe logisch is het dat Hergé dan uit dit plaatje slechts een fragment knipt, namelijk dat van Bobbie en de kat? En trouwens: hoe dan verder? Deponeerde hij dat plaatje vervolgens in het werkbakje van Bob de Moor met de toevoeging: ‘Hoor eens, wat je ziet is Bobbie die een kat najaagt, maar wat ik van je wil is dat je een pijp tekent’?
Als dat de wijze was, waarop de Tekenaar communiceerde, is in één klap de werkelijke vertrekmotivatie van Edgar P. Jacobs duidelijk!

Catawiki’s hersenkronkels zijn (volgende week wordt dat nog duidelijker) zó eenvoudig te weerspreken dat ik al sprak van een ‘tunnelvisie’. Maar, nogmaals, ze inspireren óók om de ‘remake’ (een term van Hergé - ‘pour le dire en bon franglais’, voegde hij daar in het Weekblad spottend aan toe) van het Britse avontuur nog eens nader tegen het licht te houden!

Met de wegspringende Bobbie eindigt een, letterlijk, onmogelijke grap die hier begint:


De detectives zitten onze jonge held op de hielen! Maar dan:


De lezer moet geloven dat Kuifje het huis is binnengevlucht, daar een valse baard heeft aangetroffen én een pijp, zich heeft omgekleed en ook nog eens voor dat venster is gaan zitten.

Die grap was in de jaren dertig al niet meer houdbaar. Maar, zie boven: Hergé heeft zich gecommitteerd aan een krankjorume exercitie. Het decor van het oude ÎLE NOIRE mocht weliswaar hertekend, maar het scenario en de intrige moeten onaangeroerd blijven. De Tekenaar wil koste wat kost zijn oude grappen in stand houden en binnen die begrenzing is zelfs de choreografie van de personages heilig.

Dus als Kuifje (in de oude versie) het effect ondervindt van een tunnelrit op het dak van een stoomtrein:


…dan ondergaat hij dit effect, in iets mindere mate, óók op het dak van een dieseltrein:


Zulke vette dieselwalmen lijken me niet authentiek. Los daarvan: waarom wel het decor moderniseren, maar niet de farce? We zagen al eerder hoe ongelukkig die keuze uitvalt, met de twee detectives die hun hoeden zien wegfladderen in de jetblast (!) van een straalvliegtuig. En we zien het bij dit kluchtig intermezzo:


De grap is belegen, maar de caravan is tenminste gemoderniseerd. Let op de gezichtsuitdrukkingen van de oude Kuifje en de nieuwe:


De held rechts zie je denken:

‘Het is 1965. Ik ben in Tibet geweest en op de maan, ik heb in het Meer van Genève gelegen en ik heb iets postmoderns beleefd met de juwelen van Bianca Castafiore. Wat doe ik in hemelsnaam in deze klucht?’

En dat allemaal omdat de perfectionist Hergé zijn Britse avontuur niet écht wilde moderniseren...


Maandag: over de lichtpuntjes in een ongemakkelijk album.

donderdag 28 september 2017

Smerig zaakje, genadige dood


I.
Roffelend tikje op de vingers: ‘Ga je nou de rest van het jaar die arme kerels van Catawiki op de kast jagen?’ informeerde D. – om daar gemoedereerd aan toe te voegen dat dat heus waar een beetje sneu is.

Ik sputterde dat ik toch vooral hengelde naar een verweerschrift, maar het online veilinghuis hulde zich in een hardnekkig zwijgen. En welbeschouwd viel er ook niets te verdedigen. De status die Catawiki toedicht aan de verknipte ÎLE NOIRE-editie is, voor de kritische liefhebber, zó betwistbaar dat we ipso facto van doen hebben met een tunnelvisie. Hier heeft het veilinghuis zich wel erg makkelijk vastgebeten in één scenario.

II.
Bon, omdat uitglijders bij zoveel aanbod onvermijdelijk zijn en omdat het natuurlijk prettig grabbelen blijft in de mixed bag van het aangebodene:


Fijn kavel uit de Catawiki-veiling met origineel werk waarop nog tot vanavond geboden kan worden. De tekening is van René Follet, voorstellende de hoofdpersoon uit de beruchte Dominici-affaire.

Follet debuteerde al in 1950 in het Weekblad en bleef er jarenlang hangen. Hier zien we een vuig handgemeen van hem op de cover van de Franse editie (maart 1960):


De inmiddels hoogbejaarde tekenaar is een beetje de Magnum van de Negende Kunst. Dat is een ijsje dat je niet kunt eten zonder dat er iemand zal opmerken dat het ‘een pakje boter op een stokje’ is. Precies zo kun je de naam Follet niet laten vallen zonder dat iemand dan ‘Die is zó onderschat ’ voor zich uit mompelt.

III.
Wat behelst dat akkefietje met Dominici nu precies? In de kaveltekst van Catawiki komen we niet meer te weten dan dat het een ‘célèbre affaire’ was. Voor de Franse lezer is dat overigens genoeg, die weet onmiddellijk dat het om een brute moordzaak (en vooral: de nasleep ervan) gaat die daar gebeiteld zit in het collectieve geheugen:


Zeer beknopte samenvatting: in de nacht van 4 op 5 augustus 1952 worden nabij een Franse boerderij drie Britse toeristen vermoord: de wereldberoemde voedselprofessor Jack Drummond, zijn vrouw Anne en zijn 10-jarig dochtertje Elizabeth. De patriarch van het boerengezin, Gaston Dominici, wordt opgepakt:


Er volgt een rechtszaak die aan alle kanten rammelt. De schuld van de oude Dominici staat amper vast, maar justitie is blind voor andere scenario’s en een andere dader. Gaston krijgt de doodstraf:


...maar ontsnapt aan de guillotine omdat zijn veroordeling prompt wordt omgezet in levenslang. In 1960 gelast president De Gaulle op humanitaire gronden zijn vrijlating*. Ruim een halve eeuw later vecht kleinzoon Alain nog steeds voor een rehabilitatie.

IV.
De kranten uit 1952 bieden bloemrijke verslagen vol morbide details, Google serveert onthutsend plastische beelden, Orson Welles maakte een documentaire over de hele kwestie en Jean Gabin (zie foto hierboven) speelde met verve de oude Dominici in een speelfilm uit 1973 waarin we ook, een jaar voor zijn grote doorbraak, een jonge Gérard Depardieu ontwaren. René Follet, ten slotte, verstripte in 2010 het smerige zaakje naar een stijf scenario van Pascal Bresson.


Alles bij elkaar is zo’n kaveltje op Catawiki goed voor vele uurtjes meeslepende verstrooiing. Nog een paar uur te gaan, op dit moment zijn op Follets ‘illustration à la gouache’ amper vijf tientjes geboden. Dat mag minstens verdubbeld.


*) Gaston Dominici overleed op 4 april 1965 – een genadige dood, want net op tijd om de hertekende versie van ÎLE NOIRE niet meer mee te hoeven maken.